Actueel licht op eigendom en beheer van kerktorens

Titel:Actueel licht op eigendom en beheer van kerktorens
Bericht Intro:

In het maandblad “Kerkbeheer” van januari wijdt mr. Harm A. Lassche een uitvoerig artikel aan de eigendom en het beheer van kerktorens, die volgens een bekend verhaal sinds de Franse tijd (eind 18e eeuw) in vele gevallen bij burgerlijke gemeenten berusten. De heer Lassche, sinds vele jaren adviseur van de VKB op het terrein van eigendomszaken van kerktorens, komt tot een aantal conclusies die een actueel licht werpen op dit onderwerp. De kwestie is van belang omdat burgerlijke gemeenten tegenwoordig weleens op het idee komen om te besparen door een kerktoren over te dragen aan een kerkelijke gemeente die echter ook zo haar financiële problemen kent.

Bericht:

In het maandblad “Kerkbeheer” van januari wijdt mr. Harm A. Lassche een uitvoerig artikel aan de eigendom en het beheer van kerktorens, die volgens een bekend verhaal sinds de Franse tijd (eind 18e eeuw) in vele gevallen bij burgerlijke gemeenten berusten. De heer Lassche, sinds vele jaren adviseur van de VKB op het terrein van eigendomszaken van kerktorens, komt tot een aantal conclusies die een actueel licht werpen op dit onderwerp. De kwestie is van belang omdat burgerlijke gemeenten tegenwoordig weleens op het idee komen om te besparen door een kerktoren over te dragen aan een kerkelijke gemeente die echter ook zo haar financiële problemen kent.

Hij schrijft o.a.: “Alle kerktorens die bestonden op 1 mei 1798 en voldoen aan de bepalingen van de Staatsregeling (uit 1798 en 1801) waren eigendom van de burgerlijke gemeente. Dat zijn ze geworden door de enkele wetsbepaling, nadere handelingen waren niet nodig om dat te bevestigen. De kadastrale aanduiding is geen uitsluitend bewijs van eigendom. Er mag dus niet afgegaan worden op de kadastrale tenaamstelling.

Kerktorens zijn nog steeds eigendom van de burgerlijke gemeente, tenzij tussen kerk en gemeente ooit nadere afspraken zijn gemaakt. Dat kan zijn een Plan van Schikking, of een afzonderlijke overeenkomst. De Staatsregeling geldt dus niet voor de torens die niet aan de criteria voldoen dan wel na 1 mei 1798 zijn gebouwd. De feitelijke gebruikers die iets anders willen (de kerken of de gemeenten) moeten bewijzen dat hetzij de Staatsregeling onverkort van toepassing is, hetzij komen met stukken waaruit blijkt dat er een andere regeling is getroffen”.

“Wellicht overbodig, maar dan slechts ten overvloede: het is uitgesloten dat eenzijdig – hetzij door de kerkelijke gemeente, hetzij door de burgerlijke gemeente – wordt besloten om wijziging aan te brengen in de bestaande situatie. Als er niets geregeld is, en het onderhoud wordt nog steeds gepleegd door de burgerlijke gemeente, dan moet worden aangenomen dat dit gebeurt op grond van de Staatsregeling van 1798 en is zij bij wet eigenaar en blijft ze dat. Blijkt uit de archieven dat het beheer en onderhoud is gebaseerd op een nadere regeling/overeenkomst, dan zal die ook bepalingen moeten bevatten over de wijzigingsmogelijkheden. Dat laatste is ook van toepassing op de kerken: behoudens het bewijs van tegendeel zullen zij als bezitter/eigenaar moeten worden aangemerkt”, aldus mr. Lassche.

Aan het slot van zijn beschouwing gaat hij in op de vraag wat een plaatselijke kerkelijke gemeente moet doen als de burgerlijke gemeente bij haar komt met het besluit dat ze de onderhoudslasten van de kerktoren voortaan bij de kerk als gebruiker wil leggen. Of wanneer een College van Kerkrentmeesters vindt dat de burgerlijke gemeente maar weer eens de onderhoudskosten voor haar rekening moet gaan nemen.

Voor het volledige artikel over deze kwestie zie “Kerkbeheer” van januari.

Categorie:Nieuws